Vervoer

Vervoer over land
Niehove had als kerkdorp een verzorgende functie voor het omliggende gebied. Het dorp en het verzorgingsgebied lagen geïsoleerd. Voor de aan-en afvoer van goederen was men aangewezen op vervoer per schip (de snik) en op bodediensten naar de stad en de grotere plaatsen in de buurt. Tot het laatst van de negentiende eeuw gebeurde dat nog met de hondenkar, later met paard en wagen. Pas vanaf ± 1930 reed de eerste vrachtautodienst op Groningen.
De bodediensten in Niehove waren gevestigd aan de Kloosterweg. In het huis op de hoek met de Kerkstraat was het bedrijf van boderijder Abel Numan gevestigd. In dit huis ligt ook de oorsprong van het latere transportbedrijf Bok. Op de foto de bodewagen van Abel Numan met paard. Linksvoor in de stoel zit collega-boderijder en buurman Menno van der Woude. Bij de aankomst en het vertrek van de bodewagen was het altijd een drukte van belang.
Direct ernaast lag het huisje van Menno van der Woude. Hij haalde schillen en lompen op in het dorp en onderhield een bodedienst op Oldehove en Groningen met zijn hondenkar. Later deed hij dit met paard en wagen. De honden waren wild en bloeddorstig en werden in hokken bij het huis gehouden. De pens en het andere afvalvlees dat voor hondenvoer diende was tot ver in de omtrek te ruiken.

De haven
Een belangrijk deel van het vervoer ging vroeger over water.
De waterwegen waren voor het dorp belangrijker dan de gewone wegen omdat die klein in aantal, smal en vaak onbegaanbaar waren.
De oorspronkelijke haven van Niehove lag even ten zuiden van het dorp in een waddenslenk. Voor de bedijking van Humsterland rond 1200 ging het om een getijdenhaventje. Na het aanleggen van de ringbedijking gebruikte men deze slenk, die nu het Niehoofsterdiep heet, als vaarweg en afwateringskanaal. In de zuidelijke dijk van Humsterland bouwde men een sluisje. Dat is nu nog gedeeltelijk terug te vinden als de brug ‘het Nijhoofster zieltje’ bij Heereburen. Via dit Niehoofsterdiep had Niehove een vaarverbinding met de Hunze (later het Reitdiep) en het achterland.
In 1839 groef men bij de pelmolen van het dorp een nieuw haventje met een opvaart naar het Niehoofsterdiep. De dominee gebruikte het oude haventje later als ‘zwemplak’. Hier leerde hij de dorpsjeugd zwemmen. Staande in het diepje hield hij de dorpskinderen bij de rugbanden van hun badpakken boven water en bracht ze de schoolslag bij.
De nieuwe haven groeide uit tot de belangrijkste verbinding met de buitenwereld. Hier vertrok de beurtschipper naar Kommerzijl en Groningen. De graanschipper bracht via de haven graan naar de molen en nam het meel weer mee terug. De turfschipper had aan de haven zijn turfschuur direct aan het water. De jaarlijkse kermis vond aan de haven plaats. De kermisattracties werden met platschuiten aangevoerd.